Schijnvliegveld moest geallieerden van doel afhouden. Joop Jokshorst (96) werkte tijdens Tweede Wereldoorlog in Havelte en Elsloo

De nu 96-jarige Joop Jokshorst uit Assen hielp tijdens de Tweede Wereldoorlog mee om een schijnvliegveld aan te leggen op de Drents-Friese grens, bij Elsloo en Zorgvlied. Het veld was bedoeld om geallieerde vliegers zand in de ogen te strooien. Het moest de aandacht afleiden van het werkelijke vliegveld dat in Havelte werd aangelegd. Ook daar werkte Jokshorst noodgedwongen voor de Duitsers.

Joop Jokshorst staat bij De Monden, ongeveer op de locatie waar het vliegveld werd aangelegd. Hij wijst naar de pijp van de zuivelfabriek die van grote afstand zichtbaar was.

Joop Jokshorst staat bij De Monden, ongeveer op de locatie waar het vliegveld werd aangelegd. Hij wijst naar de pijp van de zuivelfabriek die van grote afstand zichtbaar was. Niek van der Oord

Turend kijkt de nog kwieke Assenaar over de weilanden. ‘Daar moet het zijn geweest’, zegt hij als hij met zijn wandelstok in de richting van de oude zuivelfabriek in Elsloo wijst. ‘Als we op het vliegveld werkten, zagen we altijd de pijp van de zuivelfabriek.’ Jokshorst staat nog net op Ooststellingwerfs grondgebied. Vanaf een zijweggetje van De Monden duidt hij een locatie aan die enkele honderden meters achter de zuivelfabriek ligt. De inmiddels korter gemaakte pijp heeft hij vroeger beklommen. ‘Dat deden we voor het uitzicht.’

Zo’n tien jaar geleden ging hij met een kennis al eens op zoek naar de voor hem bekende plaatsen in Elsloo. Naast de zuivelfabriek is dat het voormalige café Van der Heide dat tegenover de fabriek in Elsloo-zuid was te vinden. Het viel hem toen al op dat niemand iets af scheen te weten van het schijnvliegveld.

Het pand waar café Van der Heide was gevestigd, bestaat nog. Sjoukje van der Zande-Hoogeveen stamt af van de voormalige uitbater. Samen met haar man Gerrit woont ze in het pand dat in de jaren tachtig z’n horecabestemming verloor.

De tekst gaat verder na de foto

Gaarkeuken

Jokshorst heeft er veel voetstappen liggen. Hij maakte in de gaarkeuken van het café eten klaar. Het voedsel was voor de andere Assenaren die het schijnvliegveld moesten aanleggen.

Toen de oorlog uitbrak, ging Jokshorst nog naar school. Zijn ouders hadden een kapperszaak in het centrum van de stad. ‘Op de Mulo waar ik opzat, werden leerlingen gevorderd om aardappelen te rooien’, vertelt de Assenaar. Dat deed hij bij een met de vijand heulende boer. De boerderij stond onder de rook van Assen. Omdat het botste met de boer, zat de verplichte arbeid er gauw op. Vervolgens werkte Jokshorst twee weken bij een bakker, waarna hij de handen uit de mouwen moest steken voor de organisatie Todt. Het werk bestond uit het graven van loopgraven en bomen kappen in het Asserbos.

De tekst gaat verder na de foto

Havelte

Ook dat duurde niet lang. Op de Brink in Assen, vlakbij zijn ouderlijk huis, werd Jokshorst samen met een vriend door een berucht lid van de Sicherheitsdienst staande gehouden. Het duo moest hun persoonsbewijzen inleveren. ‘Die konden we ‘s middags weer ophalen op het politiebureau. We moesten nog dezelfde middag naar het vliegveld in Havelte om daar te werken.’

Het duo reisde met de trein naar Meppel. Van daar ging het lopend naar Havelte. Een vriendelijke boer met paard en wagen bood de jongemannen onderweg een lift aan.

‘In Havelte werden we in een barak gelegerd en verrichtten we graafwerkzaamheden. Je had in de barak van die louche figuren die shag verkochten. De zakjes tabak werden aangevuld met zand.’

Hoelang hij in Havelte zat of hoe hij daar vandaan is gekomen, weet Jokshorst niet meer. ‘Er zitten hier en daar zwarte plekken in mijn geheugen.’

Feit is dat de jeugdige Assenaar kort na zijn vertrek uit Havelte weer werd opgepakt. Deze keer werd hij naar Elsloo gestuurd. ‘We gingen met de NTM-tram en stapten bij café Van der Heide in Elsloo uit. ’Waar hij precies verbleef, weet Jokshorst niet meer. ‘Wij sliepen meestal in het hooi bij een boerderij.’


Terugkeer

Bijna 80 jaar later keert hij terug in Elsloo om zijn herinneringen op te halen. Rijdend langs de Hoofdweg wijst Jokshorst aan waar de rails van de NTM-tram lagen. ‘Hier ging de tram over de weg’, legt hij uit bij het voormalige café Van der Heide.

Het echtpaar Van der Zande geeft een rondleiding door het vroegere café, dat aan de buitenkant vrijwel niet is veranderd. Jokshorst herkent in de muur het uitbouwsel waar de gaarkeuken was. De bakstenen van de aanbouw onderscheiden zich van de rest. ‘Er stond binnen zo’n ketel waar we op stookten en het eten in klaar werd gemaakt.’ ‘Was u kok?, wil Van der Zande weten. Jokhorst: ‘Dat moest er voor door gaan….’ Meestal werd er van wortels een stamppot gemaakt.

Sjoukje van der Zande heeft haar hele leven in Elsloo gewoond. Dat er in de oorlog een schijnvliegveld dichtbij haar ouderlijk huis werd aangelegd, is voor haar nieuws. ‘Daar heeft nooit iemand het over gehad.’

De tekst gaat verder na de foto


Vreemde vogel

Ze luistert met belangstelling naar het verhaal van Jokshorst. Volgens hem kwamen de meeste arbeiders die in Elsloo werkten uit Den Haag. Het betrof een man of dertig. Jokshorst herinnert zich hoe ze in marstempo vanaf de boerderij moesten marcheren naar het café. De mannen liepen op de tramrails. Het marcheren in kolonne gebeurde onder leiding van een zekere August. ‘Een vreemde vogel was dat.’

Die lezing van Jokshorst wordt bevestigd in het boek dat Wiebe de Vries in 1995 schreef over de Tweede Wereldoorlog in de Stellingwerven. In het boek komt de in Elsloo ondergedoken Karel Eichhorn uit IJmuiden aan het woord. Hij heeft het over geronselde gravers uit Den Haag (‘een wonderlijk samenraapsel’) en daar was ene August bij (‘een buitenbeentje’) die volgens Eichhorn beslist niet honderd procent was. Eichhorn vertelt ook dat het werk van de bij de bevolking ingekwartierde vliegveldbouwers bestond uit palen sjouwen en schuttersputjes graven.

Joop Jokshorst zat met zijn maten vaak in het café Van der Heide. Drank was er in die oorlogsjaren niet te krijgen. ‘We dronken bietennat.’

De tekst gaat verder na de foto

Bauführer

Een Nederlandse Bauführer die in de buurt van de melkfabriek woonde, hield toezicht op de arbeiders. ‘In het veld droegen we geen overall. Je had gewoon je dagelijkse kloffie aan. De schep nam je mee. Zij hadden allemaal schoppen met zo’n knop erop. Daar kon je niet op zitten. Daarom namen wij een schop met een handvat mee. Daar kon je tenminste op zitten.’

Om een uur of acht begon het werk op het vliegveld. Een afgebakend terrein moest eerst met de schop worden geëgaliseerd. ‘Daar legden we heideplaggen op.’ Hoewel niemand vertelde dat het een schijnvliegveld betrof, hadden de arbeiders grote twijfels bij de betrouwbaarheid van de door hun aan te leggen landingsbaan.

‘Als hier een vliegtuig moet landen, vliegen de plaggen het toestel achterna’, was de algemene opinie. ‘Hier kan geen vliegtuig op landen.’ Het vliegveld stelde volgens Jokshorst eigenlijk niks voor. ‘Het was misschien 300 meter lang en niet zo breed.’

De tekst gaat verder na de foto


Kaarten

Ergens op het vliegveld werd van zoden een provisorisch onderkomen gemaakt. ‘Als de Baufürher er niet was, dan kaartten we in het veld met de Hagenezen. Dan deden we niks.’

De op boerderij Canada verblijvende Boele Geerts was één van Assenaren die zich dagelijks op het werkterrein meldde. De eigenaar van een dansgelegenheid was door de bezetter uit zijn bedrijf gezet. ‘Hij had een enorme hekel aan de Duitsers. Vanaf de boerderij liep hij met een kruiwagen dwars door de landerijen naar het vliegveld. Er lag slechts één zode op. Zonder iets te zeggen, kieperde hij die op de grond en ging weer weg’, aldus de glimlachende Jokshorst.

Een opdracht die de Bauführer verstrekte, had voor Jokshorst zelfs na de oorlog consequenties. ‘We moesten eerst van hem met drie man hout halen om de ketel te stoken waar het eten in werd bereid. ‘Haal het maar uit de bossen van Staatsbosbeheer.’ Later bleek dat drie man teveel van het goede was en moest iemand het in zijn eentje doen. In het bos sprak de vrouw van de boswachter de houtsprokkelaar aan ’Weet u wel dat u hier geen hout mag halen?’ Het antwoord dat de Bauführer opdracht had gegeven, stond haar blijkbaar niet aan. Korte tijd later kwam de marechaussee die ons drieën zocht voor diefstal van hout.

Dagvaarding

Het drietal werd verhoord en er volgde een proces-verbaal. ‘Na de oorlog kreeg ik een dagvaarding thuis voor diefstal van hout. Het drietal was daar flink kwaad over. Bij de rechtbank ging het trio uit protest niet staan bij het binnenkomen van de rechters. Dat werd niet in dank afgenomen. ‘We hebben een tientje boete gekregen.’

Ondanks dat akkefietje werkte Jokshorst bijna zijn hele leven bij de Rijksdienst. Zijn diensttijd vervulde de Assenaar op vrijwillige basis in Nederlands-Indië. Toen hij zich in Utrecht meldde om daar heen te gaan, kwam hij op de kazerne oude bekenden tegen. ‘Het waren Hagenezen uit de Schildersbuurt die ook in Elsloo hadden gewerkt.’ Van hen, zo schat Jokshorst in, is niemand meer in leven.

Dolle Dinsdag

Op het schijnvliegveld in Elsloo werkte Joop Jokshorst tot 5 september 1944. Hij herinnert zich die datum omdat die de geschiedenisboeken is ingegaan als Dolle Dinsdag. Er waren berichten dat Nederland die dag van het Duitse juk zou worden bevrijd. De geallieerden wonnen in de voorgaande dagen in hoog tempo terrein. Veel NSB’ers en Duitse militairen sloegen op de vlucht. Jokshorst schat dat hij ongeveer een jaar in Elsloo verbleef.

Bombardement

De aanleg van diverse nep-vliegvelden in de buurt van Havelte leverde de Duitsers niets op. Op 17 september 1944 en 24 maart 1945 wordt het echte vliegveld in Havelte gebombardeerd. Op 17 september dalen er 1000 bommen neer op vliegveld Havelte. Op 11 februari 1945 bombarderen vier toestellen diverse barakken. Na het bombardement met 2000 bommen op 24 maart is er weinig meer over van het vliegveld. Ook 55 huizen, de kerk en het Hunenhuis in Havelte zijn zwaar beschadigd. De bommenregen zorgt dus voor veel schade, maar alle arbeiders overleven.