Mijn werk: ‘Ik zie mezelf in een vaderlijke rol’

Anne Westerhuis

Oldeberkoop - Op jonge leeftijd twijfelde hij lang over zijn beroepskeuze. Dat het iets met mensen moest zijn stond buiten kijf. Albert Kwakman (1960) koos voor de zorg en daar heeft hij tot op de dag van vandaag geen moment spijt van gehad.

Sinds 2012 is hij samen met zijn partner Bert Boer franchisenemer van Herbergier Oldeberkoop in Oldeberkoop, gehuisvest in de voormalige landbouwschool. Woningcorporatie Vestia is eigenaar en verhuurt het emplacement aan stichting De Drie Notenboomen. Deze organisatie heeft meer kleinschalige zorgvormen onder haar beheer, waaronder de landelijk bekende Thomashuizen. Herbergier Oldeberkoop is een kleinschalige woongemeenschap voor mensen met geheugenproblemen en heeft in Nederland meer dan vijftig vestigingen.

Albert Kwakman werkt al 42 jaar in de zorg. Begonnen als algemeen verpleegkundige in de Weezenlanden, het tegenwoordige Isala ziekenhuis in Zwolle, werkte hij zich hij via de intensive care en afdelingshoofd op de hartbewaking op tot manager cardiologie. Na de zoveelste reorganisatie besloot hij de bakens te verzetten. ‘Ik was toe aan iets anders’. Het werd een beslissing die impact had op zijn werk en privéleven. Kwakman en zijn partner begonnen aan het Herbergier-avontuur in Oldeberkoop.

Inwonend

Qua ervaring paste die nieuwe baan als een jas. Privé was het wennen, de relatie werd intensiever door het werkcomponent, want ze waren nu ook een Vennootschap Onder Firma (VOF). De stichting stelt de voorwaarde dat het echtpaar inwonend is. En dat is volgens Kwakman de succesformule van de organisatie.

De eerste jaren werden in beslag genomen door het ‘neerzetten’ en inrichten van het huis. De kleinschalige opzet biedt woonruimte aan 17 mensen. Iedereen is welkom; met smalle of grote beurs, van hoge of lage komaf. Men leeft met elkaar, samen eten, samen wandelen, samen koken: ‘We bootsen een groot gezin na’. De kleinschalige woonvorm is een gouden formule; het denken vanuit het kleinschalige kleurt zowel het wonen als de omgang en werkt productief op het welbevinden. Niet de efficiency en het systeem staan bovenaan, de prioriteit ligt bij welzijn en daarna de zorg. Het werken met een vast team geeft rust voor de bewoners. Albert Kwakman heeft de regierol als ondernemer en manager: ‘Ik zie mezelf in een vaderlijke rol’.

Het voorste deel van de oude landbouwschool is een gemeentelijk monument. Het is een huis waar men zich snel veilig en geborgen voelt. Nadeel is dat het slecht geïsoleerd en gehorig is. Privé en werk zijn daardoor nog minder gescheiden. Dat was reden voor het paar om elders een privéwoning te kopen. En dat gaf ruimte. Nu worden de taken verdeeld en is altijd één van beiden aanwezig om de honneurs waar te nemen.

Dat de bewoners zich er prettig voelen blijkt onder andere uit het volgende: een bewoner komt iedere ochtend met z’n koffer naar beneden in de overtuiging dat hij in een hotel verblijft. Bij vertrek aarzelt hij altijd en zegt of zal ik toch nog een paar dagen bijboeken?

Het is de wens van Albert Kwakman dat er nog veel van dit soort projecten bijkomen. Zijn oudste zus heeft alzheimer en hij wenst haar een onderkomen bij een huis als deze. Met het bereiken van z’n 60e levensjaar staat de toekomst, van z’n werkzame leven, in de laatste fase. Hij zal deze afsluiten bij Herbergier met zijn levensmotto: ‘Een mens wordt zich pas gewaar als hij gezien wordt’.

Anne Westerhof