Liefhebberij: ‘Imkerpak? Nergens voor nodig’

Oosterwolde – Drie of vier keer op een dag, afhankelijk van het weer, struint Adriaan Franke de Boer (71) uit Oosterwolde naar zijn bijenvolken. Ze staan een paar honderd meter van zijn woning, op een veld vol bloemen. ‘Een perfecte plek’, zegt de hobby-imker. ‘Ik kan er uren achtereen genieten.’

Hij kijkt dan waar ze naartoe vliegen. Hoe vol de kasten zitten en wat de bijen mee terug brengen. ‘Aan de kleur stuifmeel zie ik waar ze zijn geweest.’ Oranje stuifmeel is afkomstig van de paardenbloem, grijze komt van de bomen. Het is maar net hoe de wind waait, laat De Boer weten. ‘Als ze uit de kast vliegen, vliegen ze met de wind mee tot maximaal negen kilometer verderop, dus ze bevliegen heel Oosterwolde. Zelfs tot Appelscha aan toe komen ze. Waar maar wat te halen valt.’ Zodra de koolzaadvelden bloeien, ziet de liefhebber dat meteen aan het gele stuifmeel. Ze zijn gek op de bloem. En ook in mindere tijden, ‘bijvoorbeeld als de boeren hun landerijen gemaaid hebben’, ziet Adriaan Franke dat meteen. ‘Dan hebben ze het wat lastiger.’ De Boer weet zoveel van de bij omdat hij al op jonge leeftijd een bijenvolkje kreeg, van zijn vader, die ook imkerde.

Tweede kast

Waar andere kinderen een hond, kat of konijn mogen verzorgen van hun ouders, kreeg De Boer een bijenvolk. ‘Ik was acht toen ik mijn vader wel eens hielp. Oud genoeg voor een eigen kast, vond hij. We woonden in Ravenswoud destijds, mijn kast stond voor het keukenraam, zodat ik er goed zicht op had.’ Het duurde niet lang – welgeteld één jaar – toen Adriaan Franke een tweede kast kreeg. De rest van mijn broers en zussen hadden er geen interesse in, maar ik vond het leuk.’ De liefhebberij groeide in hoog tempo tot zijn huidige aantal. ‘Tien kasten heb ik in mijn beheer. Vind ik wel genoeg.’ Maal zo’n dertigduizend bijen zijn inmiddels zo’n driehonderdduizend ‘huisdieren’. Dat kan niet iedereen zeggen.

Draaistoel

In de ochtend drinkt Adriaan Franke altijd eerst een bak koffie, waarna hij zijn volken bezoekt. ‘Op m’n draaistoel ga ik dan in de schaduw zitten, soms bij de vliegplank, waar de bijen opstijgen en landen. Peukje erbij, klaar om ze te observeren. Aan het eind van de ochtend gaat hij nog een keer op visite, in de middag en in de avond weer. Uren vermaakt hij zich ermee. En het hobbyen gebeurt altijd zonder imkerpak. ‘Daar doe ik niet aan. Ik blaas wat rook in de kast, waardoor de bijen wat kalmeren, wat angstig worden zelfs, dan gaan ze vanzelf aan de kant, zodat ik de honingopbrengst rustig kan bekijken. Durf ik ook wel in mijn zwembroek te doen’, zegt De Boer. Au, au, au, klinkt het dan. Adriaan Franke wordt gestoken. De imker veegt over zijn shirt. Zijn buik is de plek waar het beestje hem stak. Iets te weinig rook, waarschijnlijk. ‘Tuurlijk word ik wel eens gestoken, elke dag wel eigenlijk, maar het doet me niet zoveel. In zo’n pak met handschoenen in de kasten wroeten, daar worden de bijen alleen maar agressiever van. Ik moet er niet aan denken.’ Een pak heeft hij daarom nog nooit gehad. ‘Wel kreeg ik eens een masker, maar die is, omdat ik hem zo weinig gebruikte, opgegeten door muizen.’

Bloemen

Wat De Boer doet als hij zich niet tussen zijn insecten begeeft? Dan maakt hij kasten. ‘Alles wat je hier ziet, maak ik zelf. Ook de ramen, waar de honing tegenaan komt.’ Met een draad aan weerszijden en af en toe een spijkertje houdt hij de bladen erin op z’n plaats. En als de ramen in elkaar gezet zijn, gaat hij het liefst met zijn vrouw naar een tuincentrum. Omdat hij geen kast in de achtertuin mag houden, lokt hij de insecten met veel bloemen. ‘Zo’n driehonderd planten staan er in mijn eigen tuin. De bijen komen hier graag. Ik kom ze er regelmatig tegen. Ook in mijn volkstuin, je ziet ze overal. Dat maakt mijn hobby zo mooi, ik wordt continu door ze omringd.’

‘Eerder te weinig dan te veel’

Het grootste deel van de honingopbrengst verkoopt hij. ‘De één haalt zo tien potjes, de ander vijf of zes. Ik heb eerder te weinig dan te veel’, laat Adriaan Frank de Boer weten. Zelf consumeert hij ongeveer één potje per maand. ‘De eerste honing van dit jaar is er al weer, maar ik wacht nog even met het slingeren – het leeghalen – van de ramen. Dat kun je beter doen als er wat meer ramen klaar zijn.’ En zo houdt de imker een familietraditie van ‘ik denk wel honderdvijftig jaar’ in stand.