Plaatselijke krant als kostbaar erfgoed

Martin van Nieuwenhoven uit Noordwolde was van 1970 tot 2005 de uitgever van de Nieuwe Ooststellingwerver. Of de NOS zoals hij meestal liefkozend zegt. Die drie letters prijkten ook groot op het gebouw aan ’t Oost. In zijn periode had de krant flink de wind in de zeilen. De courantier blikt terug.

‘Hoe kleiner de wereld, des te meer interesse voor het leven op korte afstand. In kleine gemeenschappen is veel belangstelling voor het bevattelijke nieuws dat dicht om je heen gebeurt. Vele jaren lang konden plaatselijke nieuwsbladen daarin gedijen. 

Toen ik in 1965 mijn loopbaan als uitgever/journalist begon, spande Friesland de kroon met maar liefst zestien zelfstandige plaatselijke nieuwsbladen, dat wil zeggen: wekelijks verschijnende lokale kranten die tegen betaling werden gelezen. Veelal uitgegeven door kleine bedrijven met een eigen drukkerij, vaak ook nog gecombineerd met een boekhandel.  
 
Klein nieuws
Een dagblad was in een gemeente als Ooststellingwerf lang niet voor iedereen weggelegd. Bovendien lieten provinciale kranten in “afgelegen” gebieden veel klein nieuws liggen, welk gat maar al te graag door de plaatselijke krant werd opgevuld. 

Er was veel belangstelling voor wat zich in het eigen bestuur, de gemeenteraad, afspeelde. Ooststellingwerf was lang een rooie gemeente. De Nieuwe Ooststellingwerver onder mijn voorganger Antoon Spoelstra (aan het roer vanaf kort na de oorlog) werd daar ook wel een beetje van verdacht. 

Maar de jarenlange absolute linkse meerderheid in de raad was de krant niet kwalijk te nemen. En andere partijen schoven ook graag die kant een beetje op, waardoor er tientallen jaren een collegiaal college was dat veel voor Ooststellingwerf gedaan kreeg. 

Wie durfde afvallig te zijn als werd voorgesteld veel gemeenschapsgeld uit te geven om elk van de dertien dorpen zijn eigen school, sportveld, dorpshuis en zijn eigen uitbreidingsplannetje te geven? Er was veel belangstelling voor wat zich op en rond het gemeentehuis afspeelde. De Nieuwe Ooststellingwerver vervulde daarin een belangrijke rol als de krant van de democratie aan de basis. 

Spilfunctie
Om die spilfunctie op vele vlakken te kunnen vervullen, was kwaliteit en onafhankelijkheid nodig. Nadat ik in 1970 het stokje van Spoelstra mocht overnemen, is fors geïnvesteerd in de redactie. In een gebied dat niet kon rekenen op een sterke middenstand, werd vooral de focus gericht op de lezer. 
Als we een interessante krant maakten waar de inwoners simpelweg niet zonder konden en zich massaal abonneerden, zouden adverteerders ook niet om ons heen kunnen. Het kostte ettelijke jaren voordat we het hoogste punt bereikten: 7007 betalende abonnees. Toen konden we het ons in elk geval veroorloven meer journalisten en fotografen aan het werk te hebben dan soortgelijke plaatselijke bladen. 
 
Per post
Tot begin zeventiger jaren kenden de posterijen nog het TBS. Een term die destijds stond voor twee-bestellingen-systeem. Na de ochtendbestelling was in de bebouwde kommen nog een tweede postbestelling in de namiddag. Meer dan 4000 abonnees ontvingen in die jaren de NOS per post. 

Daarvoor moesten de geadresseerde kranten ’s middags naar alle postkantoren in de buitendorpen worden gebracht. Voor Elsloo/Zorgvlied ging een postzak in de NTM-bus, en bij de zuivelfabriek in Elsloo stond een postbode te wachten op de kranten voor de avondbestelling….. 

In de jaren daarna is ook altijd geïnvesteerd in onze lezers die in een (toen nog) agrarische gemeente noodgedwongen verafgelegen woonden. Op de dag van verschijning werden vele autoroutes gereden om ook die abonnees snel hun krant te bezorgen. 

Barre winter
Tot rond de eeuwwisseling betaalden de 500 postabonnees ‘in den lande’ hetzelfde leesgeld als iemand in Oosterwolde, omdat wij de band die men met de geboortegrond wilde onderhouden, als waardevol zagen. Daarin een schakel te zijn, maakte ons trots. Zo ook in de barre winter van 1979, toen dagenlang dagbladen het ingesneeuwde Ooststellingwerf niet konden bereiken en onze bezorgers met een slee vol met NOSsen de enige nieuwsbrengers waren.  
 
Iedereen die aan de journalistieke kant bij ons kwam werken, bleef hangen. Wij genoten van de interactie met de bevolking en lezers. Wij koesterden het werkgebied en het streekeigene. Een heerlijk gebied om in te leven en te werken, waar wij ons van harte inzetten voor het functioneren van de gemeenschap waar we zelf deel van uitmaakten. 

Vertrouwen
Veel medewerking, vertrouwen en erkenning; weinig achterdocht. Ondanks de laagdrempelige contacten, lukte het om ethiek en onafhankelijkheid overeind te houden. Het ging een enkele keer ten koste van een adverteerder of een abonnee, maar schone handen zijn voor een journalist een vereiste om respect en geloofwaardigheid af te dwingen. 

Wat in de krant staat, is waar. In mijn tijd werd ik vijf keer naar de rechtbank en de Raad voor de Journalistiek geroepen om ons te verdedigen. En alle keren was het oordeel: wat in de krant stond wás waar.   
 
Tijden veranderd
Maar tijden zijn veranderd. Vanaf 2007 hebben nieuwsbladen het heel moeilijk gekregen. Door economische omstandigheden; ook door zelf in de hand te werken dat journalistiek aanzien werd ingeleverd; en vooral door wijziging van de manieren waarop mensen het nieuws tot zich nemen. 

De krantenwereld heeft daar ook zelf schuld aan door via kabelkranten en allerlei digitale media gratis weg te geven waar tot op dat moment keurig lees-, luister- en kijkgeld voor werd betaald. Goede en betrouwbare nieuwsvoorziening heeft z’n prijs, en mag niet uitsluitend afhankelijk zijn van, of worden beïnvloed door opbrengsten uit advertenties en verborgen verleiders. 

Uitzondering
Van de zestien zelfstandige lokale nieuwsbladen die ik in Friesland telde, is er niet één meer over. Vrijwel alle zijn door opkopende grotere concerns omgeturnd naar gratis huis-aan-huisbladen. De Nieuwe Ooststellingwerver is op dat punt één van de uitzonderingen. Maar alle nieuwsbladen hebben gemeen, dat het journalistieke product onder druk staat.

Eén en een kwart eeuw is de krantenhistorie in Ooststellingwerf oud. Vanzelfsprekend dat ik hoop dat ook de komende tijd zorgvuldig met dit gemeentelijke erf- en cultuurgoed wordt omgegaan.’